De spelregels van volleybal, in de volgorde van een wedstrijd
Volleybal speel je zes tegen zes op een veld van 18 bij 9 meter, met een net in het midden. Je team mag de bal hoogstens drie keer raken om hem terug te spelen, en een blok telt daarbij niet mee. Elke rally levert een punt op: een set gaat tot 25 punten met twee punten verschil, de beslissende vijfde set tot 15, en wie drie sets wint, wint de wedstrijd. Twee scheidsrechters leiden het spel. Hieronder staan alle regels in de volgorde waarin je ze tijdens een wedstrijd tegenkomt, op het niveau van de verenigingscompetitie.
Je hoeft deze pagina niet uit te lezen. Spring naar wat je zoekt:
- Het speelveld en de zones
- Net, antennes en bal
- Het team en de aanvoerder
- Punten, sets en de wedstrijd
- Toss, opstelling en doordraaien
- De service
- De bal spelen
- Bij het net
- De aanvalsslag en het blok
- De libero
- Time-outs en wissels
- Gedrag en de kaarten
- De scheidsrechters
- De jeugd
- Het spelregelbewijs
Verderop houd je deze lijst bij de hand: klik boven in de balk op Spelregels.
Het speelveld en de zones
Het speelveld is 18 bij 9 meter: twee helften van 9 bij 9, gescheiden door het net. Eromheen ligt de vrije zone, en dat is echte speelruimte: een bal die naast het veld door de lucht gaat is nog in het spel. Bij de verenigingscompetitie is die vrije zone minstens 2 meter, 3 meter waar de zaal het toelaat. Boven het veld moet 7 meter vrij zijn van elk obstakel.
Alle lijnen zijn 5 centimeter breed en horen bij het veld. Daar komt de bekendste vuistregel van het volleybal vandaan: een bal die de lijn raakt is in. De middenlijn ligt onder het net; de aanvalslijn ligt op 3 meter van de as van de middenlijn en geeft de voorzone aan. In de zaal heet hij vaak de driemeterlijn.

Achter elke achterlijn ligt de servicezone, over de volle breedte van 9 meter, tot het eind van de vrije zone. De wisselzone ligt bij de tellertafel, tussen het verlengde van de twee aanvalslijnen. Is de vrije zone achter een achterlijn korter dan 2 meter, dan mag de serveerder aan die kant met één voet in het speelveld serveren.
Het net, de antennes en de bal
Het net hangt op 2,43 meter voor heren en 2,24 meter voor dames; gemengde recreantenteams spelen op 2,35 meter. Je meet in het midden van het veld, en boven de zijlijnen mag het net hoogstens 2 centimeter hoger hangen. Recht boven elke zijlijn zit een witte zijband, en daar direct buiten staat een antenne die 80 centimeter boven het net uitsteekt.

De antennes zijn geen versiering maar een grens: samen begrenzen ze de passeerruimte, de ruimte waar de bal doorheen moet als hij naar de overkant gaat. De bal is rond, heeft een omtrek van 65 tot 67 centimeter en weegt 260 tot 280 gram. Bij ons wordt gespeeld met een wedstrijdbal en een reservebal; het vijf-ballen-systeem ken je alleen van de televisie.
Het team, de libero en de aanvoerder
Een team bestaat uit hoogstens veertien spelers, plus een coach, hoogstens twee assistent-coaches en een medische staf. Zes spelers staan in het veld; met minder dan zes mag een team niet spelen. Alleen in de tweede klasse en lager en bij de jeugd onder de Hoofdklasse mag een team met vijf verder als het er niet meer heeft. Een team mag twee libero's aanwijzen, de verdedigers met het afwijkende shirt; bij dertien of veertien spelers moet dat.
De shirts zijn genummerd van 1 tot en met 99, op de borst en op de rug. Kettinkjes, armbanden en oorbellen gaan af; een ring die er niet af kan wordt ingetapet. Een speelster mag om religieuze redenen met een hoofddoek en een lange broek spelen.
Één speler is de aanvoerder. Als de bal uit het spel is, mag alleen de spelende aanvoerder zich tot de scheidsrechters wenden: om uitleg vragen over een regel, toestemming vragen om de opstelling te laten controleren, en zonder coach de time-outs en spelerwissels aanvragen. Vragen of de bal in of uit was hoort daar niet bij: dat is een beslissing van de scheidsrechter.
Punten, sets en de wedstrijd
Volleybal telt met het rallypuntsysteem: bij elke rally valt een punt, ook als het serverende team zelf de fout maakt. Een team behaalt een punt als het de bal in het veld van de tegenstander op de grond speelt, als de tegenstander een fout maakt of als de tegenstander een straf krijgt. Maken twee tegenstanders op hetzelfde moment een fout, dan is het dubbelfout en wordt de rally overgespeeld.
Een set wint het team dat als eerste 25 punten haalt met minstens twee punten verschil; bij 24-24 gaat de set door tot dat verschil er is, zonder bovengrens. De beslissende vijfde set gaat tot 15, ook met twee punten verschil, en wordt alleen gespeeld bij 2-2 in sets. Wie drie sets wint, wint de wedstrijd.
Na elke set wisselen de teams van speelhelft, in een pauze van hoogstens drie minuten. In de beslissende set wisselen ze zonder oponthoud zodra het leidende team 8 punten heeft; de opstelling blijft daarbij precies zoals hij was.
De toss, de opstelling en het doordraaien
Vóór de wedstrijd doet de eerste scheidsrechter de toss bij de aanvoerders. In de Topdivisie en lager gooit niemand een munt op: het uitspelende team heeft de eerste keus, en voor de beslissende set het thuisspelende team. Wie kiest, kiest de service, de ontvangst of een kant van het veld.
De zes spelers staan op genummerde posities. Langs het net staan de voorspelers: 4 linksvoor, 3 midvoor en 2 rechtsvoor. Daarachter de achterspelers: 5 linksachter, 6 midachter en 1 rechtsachter. De speler op positie 1 serveert. Vóór elke set levert de coach de beginopstelling in op een opstellingsbriefje, en die volgorde houdt het team de hele set aan.


De opstelling telt op één moment: als de serveerder de bal opgooit of loslaat. Dan staat elke achterspeler gelijk met of verder van het net dan zijn eigen voorspeler, en klopt binnen elke rij de volgorde van links naar rechts. Je kijkt naar de voeten; spelers mogen elkaar overlappen als er maar een stukje voet aan de goede kant blijft. Zodra de bal is opgegooid, mag iedereen zich verplaatsen.
Wint het ontvangende team de rally, dan krijgt het de service en draait het eerst één plaats door met de klok mee; wie van rechtsvoor naar rechtsachter komt, serveert. Een opstellingsfout kost een punt en de service, maar de eerder behaalde punten blijven staan. Serveert de verkeerde speler, dan vervallen ook alle punten die het team sinds die fout behaalde.
De service
De rechtsachterspeler serveert vanuit de servicezone achter de achterlijn, nadat de eerste scheidsrechter heeft gefloten. Vanaf dat fluitsignaal heeft hij 8 seconden om de bal te slaan. Hij gooit de bal één keer op of laat hem los en slaat hem met één hand of een deel van de arm. Vangt hij de bal alsnog, of gooit hij hem een tweede keer op, dan is dat een servicefout.

Op het moment dat hij de bal slaat, of bij een sprongservice afzet, raakt hij de achterlijn, het speelveld en de vloer buiten de servicezone niet. Daarna mag hij in het veld landen. Een service die het net raakt en er toch overheen gaat, is gewoon geldig: daar roept de zaal het vaakst ten onrechte fout bij. Serveert hij voordat er is gefloten, dan is dat dubbelfout en wordt de service overgenomen.
De spelers van het serverende team mogen het zicht van de tegenstander op de slag en op de baan van de bal niet wegnemen. Dat heet een scherm: met de armen zwaaien, springen of met een paar spelers dicht bij elkaar gaan staan. De scheidsrechter waarschuwt eerst met een gebaar; corrigeert het team zich niet, dan fluit hij voor schermen zodra de serveerder de bal raakt.
De bal spelen: in of uit, en drie aanrakingen
De bal is in het spel vanaf de slag van de serveerder en uit het spel zodra een scheidsrechter fluit. De bal is in als op het moment dat hij de grond raakt een deel van de bal het speelveld of een lijn raakt. Hij is uit als hij geheel buiten de lijnen neerkomt, het plafond of een voorwerp buiten het veld raakt, iemand raakt die niet meespeelt, een antenne, een paal of het net buiten de zijbanden raakt, of buiten de passeerruimte naar de overkant gaat.
Een team mag de bal hoogstens drie keer aanraken om hem terug te spelen; vaker is viermaal spelen. De aanraking door een blok telt daarbij niet mee. Een speler mag de bal niet twee keer achter elkaar raken, met drie uitzonderingen: de eerste bal van het team mag in één actie meerdere lichaamsdelen raken, een bovenhandse set-up met de vingers naar een eigen speler mag in één actie meerdere contacten hebben, en een blokkeerder mag de bal in dezelfde actie vaker raken.

De bal mag elk deel van je lichaam raken, ook je voet. Hij mag niet worden gevangen of gegooid: bij een goede aanraking is er één moment van contact en kaatst de bal terug. Anders is het een vastgehouden bal. Je mag geen hulp van een medespeler krijgen om bij de bal te komen, en je klimt niet op een stoel. Raken twee teamgenoten de bal tegelijk, dan telt dat als twee aanrakingen.
Bij het net: de passeerruimte, de middenlijn en het net aanraken
Een bal naar de tegenstander moet door de passeerruimte: boven de bovenkant van het net, tussen de antennes en hun denkbeeldige verlengde tot aan het plafond. Passeert de bal het vlak van het net geheel of gedeeltelijk buiten die ruimte, dan is hij uit, en de scheidsrechter fluit meteen. Terughalen uit de vrije zone van de tegenstander, zoals je op televisie ziet, mag in de Topdivisie en lager niet.

De bal mag het net raken, ook bij de service, en een bal die in het net wordt gespeeld mag het team binnen zijn aantal aanrakingen weer spelen. Een blokkeerder mag de bal over het net heen aanraken, mits hij de tegenstander niet hindert vóór diens aanvalsslag. Na je eigen aanvalsslag mag je hand door de zwaai over het net komen, als het eerste contact aan je eigen kant was.
Met één of beide voeten de speelhelft van de tegenstander raken mag, zolang een deel van die voet de middenlijn raakt of erboven blijft en je niemand hindert. Een voet volledig over de middenlijn is fout. Met elk ander lichaamsdeel mag je de overkant raken als je de tegenstander niet hindert.
Het net aanraken tussen de antennes is fout tijdens je actie om de bal te spelen: vanaf het opspringen tot je stabiel bent geland. Is de bal helemaal niet in de buurt, dan is het net raken geen fout. Het net buiten de antennes, de palen en de spandraden mag je aanraken zolang dat het spel niet beïnvloedt. Speelt de tegenstander de bal in het net en raakt het net daardoor jou, dan is dat geen fout, zolang je passief blijft staan.
De aanvalsslag en het blok
Een aanvalsslag is elke handeling waarmee de bal naar de tegenstander gaat, behalve de service en het blok. Een voorspeler mag op elke hoogte aanvallen. Een achterspeler ook, maar dan zet hij af van achter de aanvalslijn: zijn voeten raken die lijn bij de afzet niet. Waar hij landt maakt niet uit. Staat hij wel in de voorzone, dan mag hij alleen aanvallen als een deel van de bal onder de netrand is.


Niemand mag de service van de tegenstander aanvallen als die bal in de voorzone en geheel boven de netrand is. Blokkeren is wat spelers vlak bij het net doen om een bal van de tegenstander boven de netrand tegen te houden. Alleen voorspelers mogen een blok voltooien; een achterspeler of de libero die meedoet aan een voltooid blok maakt een fout, en de service blokkeren is altijd fout.
Het blok telt niet mee als aanraking: na een blok mag het team de bal nog drie keer spelen, en iedere speler mag die eerste bal spelen, ook de blokkeerder die hem net raakte. Bij het blokkeren mogen de handen over het net komen, zolang je de tegenstander niet hindert vóór zijn aanvalsslag.
De libero
De libero is de verdedigingsspecialist met het afwijkende shirt. Hij speelt alleen als achterspeler, serveert niet, blokkeert niet en doet niet mee aan een blokpoging. Hij mag vanaf geen enkele plek een aanvalsslag voltooien op een bal die bij het raken geheel boven de netrand is.
Het tweede verbod treft zijn teamgenoot: speelt de libero de bal bovenhands met de vingers vanuit de voorzone, dan mag niemand die bal geheel boven de netrand aanvallen. Staat hij met zijn voeten achter de aanvalslijn, dan mag de aanval gewoon. Daarom roept een voorspeler naast de libero "onderhands".

Een vervanging met een libero is geen spelerwissel: het aantal is onbeperkt en kost het team geen wisselmogelijkheid. Vervangen mag alleen als de bal uit het spel is en vóór het fluitsignaal voor de service, en tussen twee vervangingen moet een rally voltooid zijn. De libero kan alleen terug naar de speler die hij verving, of naar de tweede libero.
Time-outs, spelerwissels en blessures
Elk team heeft per set recht op twee time-outs van 30 seconden en zes spelerwissels. De coach vraagt ze aan, of zonder coach de spelende aanvoerder, als de bal uit het spel is en voordat er voor de service is gefloten. Met twee scheidsrechters is de wisselspeler die speelklaar de wisselzone binnenkomt zelf de aanvraag.

Een spelerwissel gaat op de eigen plaats in de opstelling. Een basisspeler die eruit gaat, komt alleen terug op zijn eigen plaats, door terug te wisselen met de speler die hem verving; die wisselspeler kan daarna in dezelfde set opnieuw voor elke basisspeler invallen. Een wissel die niet aan die regels voldoet, is onreglementair: is er al gespeeld, dan krijgt de tegenstander een punt en de service en vervallen alle punten die het team na de fout maakte.
Treuzelen, een onderbreking te lang laten duren of een onjuist verzoek herhalen heet spelophouden: de eerste keer een waarschuwing, daarna kost het elke keer een punt en de service. Bij een ernstige blessure of bloed legt de scheidsrechter het spel meteen stil en wordt de rally overgespeeld; kan het team de speler niet wisselen, dan krijgt hij één keer per wedstrijd 3 minuten om te herstellen.
Gedrag en de kaarten
Je aanvaardt de beslissing van de scheidsrechters sportief, zonder discussie. Twijfel je, dan vraagt de spelende aanvoerder om uitleg, en alleen hij. Op een kleine misdraging staat geen maatregel: eerst een mondelinge waarschuwing via de aanvoerder, daarna de gele kaart. Die gele kaart kost geen punt; hij zet het team wel voor de rest van de wedstrijd in de tabel van maatregelen.
- Onbehoorlijk gedrag, de eerste keer: de rode kaart, een punt en de service voor de tegenstander.
- Onbehoorlijk gedrag, de tweede keer, of beledigend gedrag: rood en geel samen in één hand, de set uit.
- Onbehoorlijk gedrag, de derde keer, beledigend gedrag de tweede keer, of agressief gedrag: rood en geel apart, de wedstrijd uit.
- Bij een bestraffing vóór de eerste set of tussen twee sets begint de tegenstander de volgende set met 1-0 en de service.
Anders dan bij de meeste sporten stuurt een rode kaart in volleybal niemand het veld uit: rood is de bestraffing die een punt kost. Daarvoor heb je rood en geel samen nodig. Maatregelen zijn persoonlijk en gelden de hele wedstrijd; herhaalt dezelfde persoon zich, dan gaat de straf een trede omhoog.
De scheidsrechters, de teller en de tekens
De eerste scheidsrechter staat op een stoel aan het ene uiteinde van het net, met zijn ogen een halve meter boven de netrand. Hij leidt de wedstrijd, fluit voor elke service en beslist over de service, het schermen, de fouten bij het spelen van de bal, de fouten boven het net en de aanvalsfout van een achterspeler of de libero. Hij is de enige die een kaart geeft.

De tweede scheidsrechter staat op de vloer aan de overkant, bij de paal, en fluit zelf voor de opstelling van het ontvangende team, het net en de antenne aan zijn kant, de middenlijn, de bal tegen een voorwerp en het blok van een achterspeler of de libero. Hij regelt de time-outs en de spelerwissels. De teller houdt het wedstrijdformulier bij, controleert de servicevolgorde en meldt een fout daarin meteen met de zoemer. In de regio leidt vaak één scheidsrechter de wedstrijd.
Na elk fluitsignaal laat de scheidsrechter met een officiëel teken zien waarom hij floot, met de hand aan de kant van het team dat de fout maakte. Alle tekens staan op een eigen pagina: van toestemming voor de service tot bal in, bal uit, vastgehouden bal, tweemaal aanraken, viermaal spelen, over het net reiken, het net aanraken en de dubbelfout.
De jeugd speelt anders
Kinderen van 6 tot en met 12 jaar spelen bij de Nevobo Volley Stars: vijf levels die van gooien en vangen opbouwen naar het echte spel. In level 1 tot en met 3 is het twee tegen twee op een klein veld met een net van 1,70 of 2,00 meter, in level 4 en 5 drie tegen drie met een service. Vanaf level 5, Ultimate Volley, wordt zonder vangen gespeeld en levert drie keer samenspelen een bonuspunt op.
In alle levels is een netfout dubbelfout en begint de rally opnieuw, en wordt gespeeld in toernooivorm met een spelbegeleider in plaats van een scheidsrechter. Bij de jeugd vanaf 12 jaar gelden de gewone spelregels, met een nethoogte per leeftijdscategorie die de regio vaststelt. Wat er per level geldt, staat op een eigen pagina.
Het spelregelbewijs en het einde van de wedstrijd
Wie fluitbeurten krijgt, maakt de spelregeltoets van de Nevobo: twintig vragen, zestien goed, gratis en zo vaak te herhalen als je wilt, via volleybalmasterz.nl met je Nevobo-account. Wie slaagt, wordt geregistreerd als verenigingsscheidsrechter en mag fluiten tot en met de derde klasse en alle jeugdwedstrijden. Veel verenigingen verlangen het bewijs van al hun leden; landelijk verplicht is het niet, maar zonder bewijs mag je geen wedstrijd fluiten.
Na de laatste rally bedankt de aanvoerder de scheidsrechters en bevestigt hij de uitslag. Een emotionele discussie direct na de wedstrijd levert niets op; dat gesprek hoort later in de kantine. Dat geldt voor spelers en coaches, en net zo voor de twee scheidsrechters onderling: eerlijk over de beslissingen, en elkaar nooit afvallen.